Het onverdedigbare toch verdedigen? China en de Oeigoeren

H

In 2013 bezocht ik samen met een negental andere Vlamingen de grote leegte van West-China. Met drie jeeps doorkruisten we op eigen houtje een gebied dat meer dan een zesde van de Chinese oppervlakte beslaat, en nauwelijks inwoners (20 à 25 miljoen) telt. In Xinjiang leven hoofdzakelijk twee bevolkingsgroepen: de Oeigoeren, moslims met Turkse achtergrond en Han-Chinezen. De streek is onherbergzaam, leger dan leeg, woestijnachtig, met waanzinnig prachtige landschappen, een Chinese muur die er vooral symbolisch hoog is (soms een streep in het zand), historische reconstructies met hoog Disney-gehalte, en een eindeloos aantal restaurants van het hoogste culinaire gehalte ter wereld. De Oeigoerse keuken is eerder Turks en vrij voorspelbaar, maar de lokale Chinese keuken is er gewoonweg hemels.

De Oeigoeren zijn, in tegenstelling tot de Tibetanen, bij ons volkomen onbekend. Zij beschikken dan ook niet over dezelfde P.R.-machine als de Tibetanen, die ons met films als ‘Seven Years in Tibet’ en de eeuwige wijsheden van de dalai lama doen geloven dat zij een uiterst vreedzaam volk zijn dat vooral monniken en landbouwers telt en wreedaardig onderdrukt wordt door het brutale Chinese leger. Weinige Vlamingen stellen zich moeilijke vragen over Tibet. Hoe werkt die lokale economie? Hoe democratisch zijn de Tibetaanse leiders? Ikzelf kon maar niet begrijpen hoe de Chinezen in Xinjiang musea aangaven hoe zij eeuwen geleden de streek hadden heroverd op het Tibetaanse leger. Hadden die dan zo’n performant leger dat die 1400 kilometer van huis de Chinese legers konden verslaan? Tibetanen alleen landbouwers en wijze monniken? Ergens missen we hier een stuk van de geschiedenis, is ons plaatje niet volledig. Er klopt iets niet. Opletten met oordelen en veroordelen. 

Bijna alle deelnemers kwamen terug met een heel positief beeld van de Chinezen en minder sympathie voor de Oeigoeren. Een kwestie van racisme? Zou kunnen, maar iedereen sprak met warmte voor Turkije en zijn cultuur en was met enige achterdocht vertrokken tegenover de ondoorgrondelijke Chinezen, hun autoritaire trekken, schendingen van de mensenrechten, en uiteraard de brutaliteit waarmee ze een eminent en vredelievend kunstenaar als Ai Weiwei opsloten en verbannen.  Wat hebben wij toen gezien of begrepen  dat ons zo van (voor)oordeel deed veranderen? 

Vooreerst zagen wij overal vrijheid. We bezochten tempelcomplexen waar iedereen vrij zijn godsdienst kon belijden; de moskee in Kashgar werd opvallend druk bezocht. Mijn medereizigers herinneren zich hier en daar wat militairen, maar ik was later meer onder de indruk van de militairen in Antwerpen Centraal dan die in Ürümqi, hoofdstad van Xinjiang, de stad die het verst van alle zeeën ligt. Nooit werden we opzijgezet, geïntimideerd of ondervraagd. Twee keer stelden enkele piepjonge politieagenten vragen uit pure nieuwsgierigheid. We spraken met wie we wilden, we stuurden ongecensureerde reisverslagen door. Sommige Chinezen poogden te praten met wat basisengels, de Oeigoeren kwamen stugger over, veel minder communicatief. En ja, je kon elke avond kiezen tussen twee soorten restaurants. Een moslimrestaurant, heel vaak een typische vleeskeuken, zonder alcohol, met lekkere tee, of een Han-Chinees restaurant, met bier, een uitzonderlijke rijke keuken, heel veel groenten, vis, licht en lekker. Dit contrast was voor mij het voorbeeld van hoe de Chinezen het aanpakten. Zij moedigden de Chinezen heel sterk aan vakantie te nemen in eigen land. Iedereen weet ondertussen wat een Chinese aanmoediging betekent; goedbetaalde en loyale ambtenaren in Peking kregen vreemd genoeg geen vakantiedagen als ze naar Tibet met vakantie wilden, maar wel als ze in Xinjiang vakantie in eigen land namen. Vliegtuigtickets naar Ürümqi kwamen snel en goedkoop ter beschikking. Men werkte aan TGV-verbindingen. Zo werd elke avond een vreemd experiment herhaald. Welk type restaurant kiest een op bier beluste Chinees? Een Oeigoers met zijn typische keuken, bediend door iemand die geen Chinees spreekt (of wil spreken?) of een Han-Chinees restaurant, met een keuken die zowel gelijkt als verschilt van die in de hoofdstad, met alcohol en met personeel dat je taal spreekt. Iedereen vrij. Als je dat één generatie volhoudt, merk je hoe het ene type restaurant wegkwijnt, en een andere type snel groeit: een variante die spotgoedkoop, vrij lekkere fastfood aanbiedt in voorspelbare ketens en een duurdere variante voor de rijkere toerist. En de Oeigoerse restaurants? Die marginaliseren.

We hoorden de verhalen dat de Chinezen dat zelfde spel op minder subtiele wijze speelden met landbouwgrond. Iedereen kreeg van de overheid wel een mooie lap toegewezen. Door de grillen van het noodlot, kregen de Han-Chinese inwijkelingen grotere, mooier gelegen stukken en de lokale Oeigoeren waren veel minder succesrijk. Zonder dat er ook maar één seconde sprake was van racisme (iets dat in een confuciaanse samenleving uiteraard volkomen ondenkbaar is, iedereen leeft met iedereen in harmonie), kon elke observator wel na een tijdje vaststellen dat er één bevolkingsgroep eerder aan de passieve kant was en een andere groep aan de hyperactieve. Mannen zitten in de schaduw te wachten. Welke bevolkingsgroep? Vrouwen die ononderbroken een lokale weg aanleggen. Welk groep?  Telkens weer, opnieuw en opnieuw.  Welke groep shopt in de moderne centra? Welke groep tref je aan in klassieke, niet altijd hygiënische vleesmarkten? Wie bouwt aan de toekomst? Wie slacht schapen?  En zo krijgt een ‘objectieve’ reiziger een beeld, een eenzijdig beeld en vormt hij zich een stereotype beeld, dat merkwaardigerwijs heel snel goed overeenkomt met wat de Chinese media, subtiel, zelf schetsen. 

De Oeigoeren voelen zich onderdrukt. Hun cultuur is tweederangs. Ze ervaren nul komma nul respect vanuit Peking, alleen een vreemd soort kolonisatie. Maar waar de Tibetanen in de Westerse pers kunnen rekenen op onvoorwaardelijke sympathie, beslist het Westen zijn sympathiebetuigingen niet te reserveren  voor Moslims, die overigens door wanhoop gedreven gewelddadiger werden.  Bloederige aanslagen, ook buiten Xinjiang. Het Westen heeft merkwaardigerwijs sympathie voor overheden die dergelijke zaken niet dulden op eigen bodem, zeker als die zouden wijzen op Moslim-terrorisme. De Chinezen kregen de duidelijke boodschap mee: wij zullen ons niet moeien met binnenlandse aangelegenheden. Dat de Oeigoeren uitleggen dat zij ooit door China ‘veroverd’ zijn, net als de Tibetanen, maakt weinig indruk. Zij hebben geen dalai lama.

Langzamerhand begrijp je als naïeve toerist dat het Westen uiteraard twee maten en twee gewichten hanteert. Wij verdedigen met hand en tand de scheiding van kerk en staat; overal en altijd. De Oeigoeren niet, die willen waarschijnlijk als hardleerse moslims hun religieuze wetten boven die van de staat plaatsen. Dat de Chinese overheid het principe van scheiding van kerk en staat radicaal doortrekt, wel ja dat is hun goed recht. De Oeigoeren hebben toch vrijheid van godsdienst.  Voor Tibet redeneren we anders. Het staatshoofd is daar een kerkleider. Kinderen worden gehersenspoeld, de monniken erkennen de superioriteit van de staat niet. En het Westen keurt dat goed, want… de Chinezen onderdrukken er de religieuze leiders. Dat recht hebben ze niet. Tibet is toch geen deel van China, net als New Mexico geen deel is van de Verenigde Staten, oeps, sorry, weer die twee maten en gewichten. 

Ja, we waren gehersenspoeld, door onszelf, door onze ogen de kost te geven, en uiteraard door eens andere boeken te lezen over Chinese geschiedenis dan de klassieke. Door ons te bezinnen over scheiding van Kerk en Staat. Alle sympathie. In Xijnjang ontmoetten we Han-Chinese toeristen, mensen zoals wij. In een jeep. Han-Chinezen, geen enkele Oeigoer. Er ontstaat een band, die chinezen reden met dezelfde type jeep als wij, die maken plezier, die herken je aan het tafeltje naast jou, die bestormen de ijsjeskraampjes en proberen af te dingen aan souvenirshops. En de Oeigoeren, die zijn introverter, lachen minder, nemen geen selfies. Die lijken zich terug te trekken in hun eigen gemeenschap. Wel ja die streek is voor hen geen gebied om met een jeep rond te crossen in de bergen en je te beschermen tegen de kou door een Jack Wolfskin. Het is hun thuis, het land van hun voorvaderen. Die zich lieten bekeren tot de Islam. In vrijheid waarschijnlijk. 

Vandaag zouden we niet meer mogen met eigen jeeps door Xinjiang rijden. Als toerist zouden we begeleid worden door supervriendelijke gidsen die ons geen iota vrijheid zouden gunnen. Wie zou durven beginnen over de heropvoedingsinstellingen waar zowat een miljoen mensen worden aangepast aan de Chinese samenleving, zou snel begrijpen dat hij die vriendelijke gids persoonlijk beledigt. De evidentie dat die kampen geen scholen zijn, maar brutale onderdrukkingsinstrumenten is nochtans overweldigend. Dit is geen Westerse propaganda. Je kan begrip opbrengen voor de pogingen tot betere integratie van de Oeigoeren in de Chinese samenleving, met intense lessen over taal, cultuur, en het verwerven van op de arbeidsmarkt gerichte vaardigheden. Maar die kampen zijn geen scholen, dat zijn brutale schendingen van de mensenrechten. Onverdedigbaar. Onvoorwaardelijk te veroordelen. Mensen worden er gehersenspoeld, maar dan wel op een andere manier dan tien Vlamingen die in volle vrijheid door de streek reisden.   

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Rubrieken